lnsma

Veelgestelde vragen

Op deze pagina vindt u de meest gestelde vragen over het Neuman Systems Model en de INSMA. Door de klikken op een vraag, verschijnt het antwoord. Staat uw vraag er niet tussen? U kunt contact met ons opnemen via ons online contactformulier dat terug te vinden is via "contact" in het menu.

1. Er zijn al zoveel modellen om uit te kiezen. Waarom zou je nu juist het Neuman Systems Model aanraden om mee te gaan werken?
Er zijn verschillende belangrijke redenen om voor het NSM te kiezen: Binnen het NSM denken en werken wordt uitgegaan van de kracht (empowerment) van de cliënt. Er wordt eerst gekeken naar de hulpbronnen die de cliënt zelf in zich heeft en hoe hij die het beste in kan zetten. Dit maakt de hulp die geboden wordt sterk, omdat de krachten (lees hulpbronnen), motivatie en oplossing vanuit de cliënt zelf de beste zijn. Als de cliënt die ziet en leert gebruiken, zal hij zichzelf beter kunnen ontwikkelen. Het NSM model is gebaseerd op het holistisch denken. Hierdoor wordt de cliënt als geheel gezien, dat altijd in contact staat met zijn omgeving. Het gevolg hiervan is dat er gekeken wordt naar de verbindingen die de cliënt heeft en zijn probleem niet op zichzelf staat, maar andere levensgebieden en/of omgeving beïnvloedt. Daarnaast is het NSM een model met een hele duidelijke visie en een sterke samenhangende theorieontwikkeling. Omdat het NSM gebaseerd is op de systeemtheorie, de stress-copingtheorie en de preventietheorie heeft het een brede en heel complete basis, die tevens heel goed aansluit bij de rehabilitatiegedachte. Tot slot biedt het NSM model een goede mogelijkheid om vanuit het model een goed begeleidingsplan te schrijven. Door de ordening in 5 variabelen (levensdomeinen) geeft het een duidelijk en overzichtelijk overzicht in het begeleidingsplan, dat door het interview, de variabelen, de begeleidingsdiagnose en de doelen een uitstekende opbouw kent.


2. Wat is er zo sterk aan het NSM?
De kracht van het werken met NSM is het behalen van successen. Door de doelen zo te stellen dat ze haalbaar zijn, behaalt de cliënt successen die hem het vertrouwen in zichzelf geven. Dit veroorzaakt motivatie om zich verder te ontwikkelen. Daarnaast wordt in het NSM aangesloten bij de wensen en behoeften van de cliënt.


3. Hoe is de relatie cliënt - hulpverlener bij het NSM?
Het systeemdenken achter het NSM impliceert een principiële gelijkwaardigheid en een wederzijdse beënvloeding tussen de cliënt en hulpverlener. Als hulpverlener vraag je dan ook aan het begin van een hulpverlenertraject of de cliënt met jou wil samenwerken. Dit leidt tot de erkenning en waardering tussen cliënt en hulpverlener; de basis voor een goede samenwerking! Vanuit het systeemdenken wordt de cliënt niet alleen als individu gezien, maar in relatie tot zijn gehele omgeving.


4. Uit welke processtappen bestaat het behandel- of begeleidingsproces?
Het hulpverleningsproces begint met het interview. De gegevens die de hulpverlener in het interview verkrijgt worden daarna geordend volgens de vijf variabelen, waarbij hulpbronnen, stressoren, interacties en copingmechanismen beschreven worden. Aan de hand van deze gegevens formuleert de hulpverlener een diagnose.Wanneer overeenstemming hierover is met de cliënt, bepalen cliënt en hulpverlener de gewenste veranderingen en de beoogde resultaten. Hierbij worden passende interventies geformuleerd, die aansluiten bij de hulpbronnen en coping van de cliënt.Periodiek vindt evaluatie plaats, aan de hand van behaalde resultaten, mede vanuit het perspectief van de cliënt. Op basis van de evaluatie kunnen de gegevens van de cliënt aangevuld en aangepast worden en vindt opnieuw afstemming plaats over te bereiken doelen en passende interventies. Bijzonder aan het NSM is de rol van de cliënt zelf. De cliënt is actief betrokken bij het hele proces. Verschillen van inzicht tussen cliënt en hulpverlener worden expliciet beschreven en benoemd en hierover moet overeenstemming bereikt worden. Dit betekent een actieve rol van beide partijen in de afstemming van zorgvraag en zorgaanbod.


5. Hoe kan het interview het beste afgenomen worden?
Bij het interview stelt de hulpverlener de vragen en geeft de cliënt antwoord. Het gaat er hierbij om dat de cliënt en hulpverlener inzicht krijgen in de beleving van de cliënt over zijn probleem, hoe hij daar mee om is gegaan, hoe hij daar mee om gaat en hoe hij zijn toekomst ziet. Het doel hierbij is om achter het verschil in perceptie (waarneming) te komen.Het is bij het afnemen van het interview vooral belangrijk om goed te luisteren, open vragen te stellen, samen te vatten, te ordenen en te spiegelen. Dit om zoveel mogelijk informatie te krijgen. Het is dus niet alleen het stellen van de 6 interviewvragen, maar ook het doorvragen wat belangrijk is.Hierbij moet de hulpverlener proberen onbevooroordeeld en blanco zijn vragen te stellen, zonder oordelend te zijn, zodat de cliënt alle ruimte krijgt om zelf zijn gedachten te ordenen en aan te geven hoe zijn perceptie is. De hulpverlener kan voor zichzelf het dossier, eerdere hulpverleners en de omgeving gebruiken om meer perspectieven te verzamelen en zodoende zijn perceptie goed te kunnen beschrijven.


6. Waar moet je als hulpverlener op letten bij het onderhandelen (denkend aan het verschil in perceptie tussen cliënt en hulpverlener na afname van het interview)?
Wanneer er een verschil is in de antwoorden n.a.v. het interview tussen de cliënt en de hulpverlener, is het van groot belang om daarover te onderhandelen.Als hulpverlener moet je op een lijn komen met de cliënt. Dit is belangrijk omdat anders het risico bestaat dat je als hulpverlener aan iets met de cliënt werkt, terwijl de cliënt hier helemaal niet voor open staat. Daarnaast respecteer je door te onderhandelen de grenzen van de cliënt. Ook maak je de cliënt verantwoordelijk, omdat je samen met de cliënt onderhandelt over zijn probleem en zijn wensen. De cliënt heeft daarin medezeggenschap.In de onderhandeling zijn de volgende aspecten belangrijk:Benoem dat je een verschil in perceptie (waarneming) ziet en vraag of de ander wil onderhandelen hierover.Geef grenzen aan in de onderhandeling. Er zijn aspecten waar niet over te onderhandelen valt.Probeer gemeenschappelijke belangen te vinden en wees eerlijk over je eigen doelen en belangen.Laat je niet manipuleren, maar probeer problemen bij de cliënt te laten en het niet tot jouw probleem te maken.Houdt zoveel mogelijk oogcontact! (voor zover mogelijk bij desbetreffende cliënt)Ondersteun je woorden met gebaren en maak rapport (rapport maken is optimaal contact maken door je woordkeus, houding, spreektempo en spreekvolume af te stemmen op de ander).Neem de tijd; dat is belangrijk om tot een goede overeenkomst te komen. Zorg voor een rustige omgeving.


7. Kunnen alle levensgebieden van de cliënt onderverdeeld worden in de 5 variabelen?
Ja absoluut! Onder de variabelen fysiologisch, psychologisch, sociaal ë cultureel, ontwikkelingsgericht en spiritueel kunnen alle levensgebieden en activiteiten geschaard worden. Denk bijvoorbeeld aan persoonlijke/ huishoudelijke verzorging, motoriek, dag- nachtritme, maatschappelijk functioneren, vrije tijdsbesteding, sociaal netwerk, toekomstperspectief en geloofsbeleving, seksualiteit, financiën etc. Er is geen levensgebied of factor die niet past binnen een van de 5 variabelen. Dat maakt het model zo compleet!Het kan zijn dat informatie bij meerdere variabelen lijkt te passen. Dan kan de informatie geplaatst worden onder die variabele waarbij het de meeste aansluiting heeft. In de praktijk komt dit niet zo vaak voor, omdat meestal wel duidelijk is onder welke variabele de informatie valt. Het allerbelangrijkste is dat de informatie ergens staat!


8. Hoe kom je tot een (goede) begeleidingsdiagnose?
Nadat het interview gehouden en beschreven is, volgt de onderhandeling over het mogelijke verschil in perceptie. Daarna worden de variabelen beschreven en komt men tot het opstellen van de begeleidingsdiagnose. Deze is erg belangrijk, want op basis van deze begeleidingsdiagnose worden de doelen opgesteld waaraan de cliënt gaat werken. De begeleidingsdiagnose dient dan ook zorgvuldig geformuleerd te worden. De begeleidingsdiagnose bevat twee elementen:Gebruik voor het opstellen van de diagnose eerst een kladbriefje. Schrijf hierop van iedere variabele apart het kernprobleem. Dit kan pas goed gedaan worden als er bij de beschrijving van de variabelen gelet is op patronen. Patronen die steeds, soms ook bij verschillende variabelen, weer terugkomen. Patronen vind je door te vragen naar gelijksoortige situaties in het verleden en de manier waarop de cliënt ermee om is gegaan. Wanneer het beschrijven van patronen beheerst wordt, wordt de kern van het probleem geraakt. Deze worden dus eerst op het kladbriefje bij iedere variabele apart beschreven. Daarna wordt gekeken wat met elkaar verband houdt, welke patronen zichtbaar zijn en wat van de verschillende variabelen samengevoegd kan worden. Dit leidt tot een goede begeleidingsdiagnose. De begeleidingsdiagnose mag kort zijn.


9. Wie beschrijft de conditie van de cliënt en de behoefte aan zorg?
De conditie van de cliënt kan in overleg met de cliënt door de hulpverlener beschreven worden. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om de beschrijving dat de cliënt veel stressoren heeft en te weinig gebruikt maakt van zijn hulpbronnen. Of het kan zijn dat een cliënt fysiologisch zoveel stressoren heeft, dat het op de andere gebieden zijn hulpbronnen niet of nauwelijks kan gebruiken. Denk hierbij aan een ernstige (lichamelijke) ziekte. De behoefte aan zorg is altijd datgene wat de cliënt aangeeft nodig te hebben en van de hulpverlener vraagt om te krijgen. De hulpverlener vraagt aan de cliënt welke zorg hij wil en noteert dit ook zo.Het kan hierbij gaan om zowel een praktische behoefte aan zorg (denk aan de frequentie van gesprekken) als een zorginhoudelijk behoefte aan zorg (het verwachten van erkenning, respect, gelijkwaardigheid, begrip etc.).


10. In hoeverre schrijf je als hulpverlener het begeleidingsplan samen met de cliënt?
Een begeleidingsplan is van de cliënt zelf. Het is de beschrijving van hemzelf en datgene waar hij aan wil werken. Het begeleidingsplan moet ook het plan van de cliënt zijn of worden, wil de cliënt werkelijk gemotiveerd zijn om ook te werken aan de doelen die opgesteld zijn (uiteraard door de hulpverlener én de cliënt).Het begeleidingsplan wordt zoveel mogelijk van de cliënt zelf, als hij zelf mee werkt aan het beschrijven hiervan. Bij het samen opstellen van het begeleidingsplan is eerst vooral de beschrijving van de variabelen een belangrijk aspect. Hieronder wordt het beschrijven van hulpbronnen, stressoren en de coping verstaan.Het samen beschrijven van deze variabelen geeft de cliënt vaak veel inzicht in zichzelf, maar biedt ook erkenning. De cliënt kan tenslotte het beste aangeven hoe hij het voelt en ervaart. Het geeft tevens veel informatie die je als hulpverlener zelf niet wist of uit je zelf niet te weten zou komen.De hulpverlener heeft als professional de kennis en het inzicht om hierin patronen te ontdekken, door te vragen en te ordenen om zo tot een goed overzicht van de variabelen te komen. Ook hierbij moet soms onderhandeld worden, wanneer de hulpverlener een andere visie heeft als de cliënt. Als professional mag je hierbij uitgaan dat jij de kennis in huis hebt, het gedrag achter het gedrag ziet en dat gedrag op een juiste wijze interpreteert.Niet alle cliënten zijn in staat om samen met de hulpverlener hun begeleidingsplan op te stellen. Dan kan de hulpverlener dit doen en de uitkomst hiervan met de cliënt bespreken. Daarnaast is het ontzettend belangrijk om de doelen altijd door de cliënt te laten opstellen. Een cliënt werkt pas aan doelen, als het doelen zijn die hij zelf opgesteld heeft en zelf wil bereiken. De hulpverlener helpt en stuurt hierin om de doelen zoveel mogelijk SMART te krijgt.


11. Kan het NSM model ook gebruikt worden bij cliënten die geen ontwikkelingsplan (meer) willen?
Ja dit kan. Als begeleider kan je dan in het begeleidingsplan een omgangsplan maken, als een cliënt niet in staat is aan doelen te werken.Wanneer een cliënt niet in de conditie is om zich verder te ontwikkelen, kan dit beschreven worden onder conditie van de cliënt.Dit zegt echter niet dat er geen doelen opgesteld behoeven te worden. Het uiteindelijke doel is dan om (verdere) terugval te voorkomen en de huidige gezondheid en functioneren in stand te houden. Kijkend naar de preventietheorie richt de hulpverlener zich met de cliënt dan op tertiaire preventie. De doelen richten zich dan op de huidige situatie en die zo te houden.Een valkuil is dat hulpverleners te grote doelen stellen en het zoekt in het grote, terwijl het in standhouden van het huidige functioneren al een doel op zich kan zijn. In een uitzonderlijke situatie kunnen er geen doelen opgesteld worden (bijvoorbeeld omdat de cliënt dit zelf niet wil) en kan de hulpverlener dit in de begeleidingsdiagnose en de conditie van de cliënt beschrijven.


12. Welke informatie over NSM moet vooraf met de cliënten gedeeld worden, alvorens begonnen wordt met het werken volgens dit model?
Voordat gewerkt gaat worden volgens het NSM model moet eerst de reden van het werken volgens dit model uitgelegd worden aan de cliënt. De hulpverlener kan uitleggen wat de krachten zijn van NSM (zie vraag 1) en motiveren waarom hij dat belangrijk vindt in de begeleiding en hoe dit deze cliënt kan helpen. Afhankelijk van de cliënt zelf kan verdere uitleg over NSM gegeven worden. Sommige cliënten hebben behoefte aan achtergrond informatie en de achtergrond gedachten, maar anderen hebben dit juist weer niet. Het is wel goed om, wanneer de conditie van de cliënt dit toelaat, altijd uit te leggen wat onder hulpbronnen en stressoren verstaan wordt. Als de hulpverlener wil dat de cliënt dit ook onthoud en hij zo wil communiceren met de cliënt, dan is het belangrijk om deze woorden steeds te gebruiken in de begeleiding zodat ook de cliënt NSM gaat denken.